1. Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:

2. Zo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?

3. Zie, gij hebt velen onderwezen, en gij hebt slappe handen gesterkt;

4. Uw woorden hebben den struikelende opgericht, en de krommende knieen hebt gij vastgesteld;

5. Maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd.

6. Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?

7. Gedenk toch, wie is de onschuldige, die vergaan zij; en waar zijn de oprechten verdelgd?

8. Maar gelijk als ik gezien heb: die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien dezelve.

9. Van den adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan.

10. De brulling des leeuws, en de stem des fellen leeuws, en de tanden der jonge leeuwen worden verbroken.

11. De oude leeuw vergaat, omdat er geen roof is, en de jongens eens oudachtigen leeuws worden verstrooid.

12. Voorts is tot mij een woord heimelijk gebracht, en mijn oor heeft een weinigje daarvan gevat;

13. Onder de gedachten van de gezichten des nachts, als diepe slaap valt op de mensen;

14. Kwam mij schrik en beving over, en verschrikte de veelheid mijner beenderen.

15. Toen ging voorbij mijn aangezicht een geest; hij deed het haar mijns vleses te berge rijzen.

16. Hij stond, doch ik kende zijn gedaante niet; een beeltenis was voor mijn ogen; er was stilte, en ik hoorde een stem, zeggende:

17. Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?

18. Zie, op Zijn knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel Hij in Zijn engelen klaarheid gesteld heeft.

19. Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, welker grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten.

20. Van den morgen tot den avond worden zij vermorzeld; zonder dat men er acht op slaat, vergaan zij in eeuwigheid.

21. Verreist niet hun uitnemendheid met hen? Zij sterven, maar niet in wijsheid.

1. Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?

2. Want den dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt den slechte.

3. Ik heb gezien een dwaas wortelende; doch terstond vervloekte ik zijn woning.

4. Verre waren zijn zonen van heil; en zij werden verbrijzeld in de poort, en er was geen verlosser.

5. Wiens oogst de hongerige verteerde, dien hij ook tot uit de doornen gehaald had; de struikrover slokte hun vermogen in.

6. Want uit het stof komt het verdriet niet voort, en de moeite spruit niet uit de aarde;

7. Maar de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken der vurige kolen zich verheffen tot vliegen.

8. Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten;

9. Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan;

10. Die den regen geeft op de aarde, en water zendt op de straten;

11. Om de vernederden te stellen in het hoge; dat de rouwdragenden door heil verheven worden.

12. Hij maakt te niet de gedachten der arglistigen; dat hun handen niet een ding uitrichten.

13. Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad der verdraaiden gestort wordt.

14. Des daags ontmoeten zij de duisternis, en gelijk des nachts tasten zij in de middag.

15. Maar Hij verlost den behoeftige van het zwaard, van hun mond, en van de hand des sterken.

16. Zo is voor den arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe.

17. Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.

18. Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen.

19. In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren.

20. In den honger zal Hij u verlossen van den dood, en in den oorlog van het geweld des zwaards.

21. Tegen den gesel der tong zult gij verborgen wezen, en gij zult niet vrezen voor de verwoesting, als zij komt.

22. Tegen de verwoesting en tegen den honger zult gij lachen, en voor het gedierte der aarde zult gij niet vrezen.

23. Want met de stenen des velds zal uw verbond zijn, en het gedierte des velds zal met u bevredigd zijn.

24. En gij zult bevinden, dat uw tent in vrede is; en gij zult uw woning verzorgen, en zult niet feilen.

25. Ook zult gij bevinden, dat uw zaad menigvuldig wezen zal, en uw spruiten als het kruid der aarde.

26. Gij zult in ouderdom ten grave komen, gelijk de korenhoop te zijner tijd opgevoerd wordt.

27. Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.

1. Maar Job antwoordde en zeide:

2. Och, of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief!

3. Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand der zeeen; daarom worden mijn woorden opgezwolgen.

4. Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.

5. Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?

6. Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers?

7. Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze.

8. Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave;

9. En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!

10. Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.

11. Wat is mijn kracht, dat ik hopen zou? Of welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou?

12. Is mijn kracht stenen kracht? Is mijn vlees staal?

13. Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?

14. Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreze des Almachtigen verlaten.

15. Mijn broeders hebben trouwelooslijk gehandeld als een beek; als de storting der beken gaan zij door;

16. Die verdonkerd zijn van het ijs, en in dewelke de sneeuw zich verbergt.

17. Ten tijde, als zij van hitte vervlieten, worden zij uitgedelgd; als zij warm worden, verdwijnen zij uit haar plaats.

18. De gangen haars wegs wenden zich ter zijde af; zij lopen op in het woeste, en vergaan.

19. De reizigers van Thema zien ze, de wandelaars van Scheba wachten op haar.

20. Zij worden beschaamd, omdat elkeen vertrouwde; als zij daartoe komen, zo worden zij schaamrood.

21. Voorwaar, alzo zijt gijlieden mij nu niets geworden; gij hebt gezien de ontzetting, en gij hebt gevreesd.

22. Heb ik gezegd: Brengt mij, en geeft geschenken voor mij van uw vermogen?

23. Of bevrijdt mij van de hand des verdrukkers, en verlost mij van de hand der tirannen?

24. Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.

25. O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?

26. Zult gij, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen des mismoedigen voor wind zijn?

27. Ook werpt gij u op een wees; en gij graaft tegen uw vriend.

28. Maar nu, belieft het u, wendt u tot mij, en het zal voor ulieder aangezicht zijn, of ik liege.

29. Keert toch weder, laat er geen onrecht wezen, ja, keert weder; nog zal mijn gerechtigheid daarin zijn.

30. Zou onrecht op mijn tong wezen? Zou mijn gehemelte niet de ellenden te verstaan geven?

1. Heeft niet de mens een strijd op de aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen des dagloners?

2. Gelijk de dienstknecht hijgt naar de schaduw, en gelijk de dagloner verwacht zijn werkloon;

3. Alzo zijn mij maanden der ijdelheid ten erve geworden, en nachten der moeite zijn mij voorbereid.

4. Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij den avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan den schemertijd.

5. Mijn vlees is met het gewormte en met het gruis des stofs bekleed; mijn huid is gekliefd en verachtelijk geworden.

6. Mijn dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting.

7. Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.

8. Het oog desgenen, die mij nu ziet, zal mij niet zien; uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal niet meer zijn.

9. Een wolk vergaat en vaart henen; alzo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen.

10. Hij zal niet meer wederkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.

11. Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.

12. Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?

13. Wanneer ik zeg: Mijn bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijn klacht wat wegnemen;

14. Dan ontzet Gij mij met dromen, en door gezichten verschrikt Gij mij;

15. Zodat mijn ziel de verworging kiest; den dood meer dan mijn beenderen.

16. Ik versmaad ze, ik zal toch in der eeuwigheid niet leven; houd op van mij, want mijn dagen zijn ijdelheid.

17. Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?

18. En dat Gij hem bezoekt in elken morgenstond; dat Gij hem in elken ogenblik beproeft?

19. Hoe lang keert Gij U niet af van mij, en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel inzwelge?

20. Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt Gij mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelven tot een last zij?

21. En waarom vergeeft Gij niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en Gij zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn.

1. Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:

2. Hoe lang zult gij deze dingen spreken, en de redenen uws monds een geweldige wind zijn?

3. Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?

4. Indien uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem, Hij heeft hen ook in de hand hunner overtreding geworpen.

5. Maar indien gij naar God vroeg zoekt, en tot den Almachtige om genade bidt;

6. Zo gij zuiver en recht zijt, gewisselijk zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning uwer gerechtigheid volmaken.

7. Uw beginsel zal wel gering zijn; maar uw laatste zal zeer vermeerderd worden.

8. Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen.

9. Want wij zijn van gisteren en weten niet; dewijl onze dagen op de aarde een schaduw zijn.

10. Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?

11. Verheft zich de bieze zonder slijk? Groeit het rietgras zonder water?

12. Als het nog in zijn groenigheid is, hoewel het niet afgesneden wordt, nochtans verdort het voor alle gras.

13. Alzo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting des huichelaars zal vergaan.

14. Van denwelke zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis der spinnekop.

15. Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet bestaan; hij zal zich daaraan vasthouden, maar het zal niet staande blijven.

16. Hij is sappig voor de zon, en zijn scheuten gaan over zijn hof uit.

17. Zijn wortelen worden bij de springader ingevlochten; hij ziet een stenige plaats.

18. Maar als God hem verslindt uit zijn plaats, zo zal zij hem loochenen, zeggende: Ik heb u niet gezien.

19. Zie, dat is vreugde zijns wegs; en uit het stof zullen anderen voortspruiten.

20. Zie, God zal den oprechte niet verwerpen; Hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand;

21. Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.

22. Uw haters zullen met schaamte bekleed worden; en de tent der goddelozen zal niet meer zijn.

1. Maar Job antwoordde en zeide:

2. Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?

3. Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden.

4. Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?

5. Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, Die ze omkeert in Zijn toorn;

6. Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden;

7. Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren;

8. Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee;

9. Die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;

10. Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.

11. Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.

12. Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?

13. God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers.

14. Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?

15. Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden.

16. Indien ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft.

17. Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak.

18. Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.

19. Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?

20. Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.

21. Ben ik oprecht, zo acht ik toch mijn ziel niet; ik versmaad mijn leven.

22. Dat is een ding, daarom zeg ik: Den oprechte en den goddeloze verdoet Hij.

23. Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen.

24. De aarde wordt gegeven in de hand des goddelozen; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren; zo niet, wie is Hij dan?

25. En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien.

26. Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een arend naar het aas toevliegt.

27. Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken;

28. Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.

29. Ik zal toch goddeloos zijn; waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden?

30. Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep;

31. Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen.

32. Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.

33. Er is geen scheidsman tussen ons, die zijn hand op ons beiden leggen mocht.

34. Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;

35. Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij.

1. Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.

2. Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.

3. Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?

4. Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet?

5. Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans?

6. Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?

7. Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse.

8. Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, te zamen rondom mij zijn zij, en Gij verslindt mij.

9. Gedenk toch, dat Gij mij als leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen wederkeren.

10. Hebt Gij mij niet als melk gegoten, en mij als een kaas doen runnen?

11. Met vel en vlees hebt Gij mij bekleed; met beenderen ook en zenuwen hebt Gij mij samengevlochten;

12. Benevens het leven hebt Gij weldadigheid aan mij gedaan, en Uw opzicht heeft mijn geest bewaard.

13. Maar deze dingen hebt Gij verborgen in Uw hart; ik weet, dat dit bij U geweest is.

14. Indien ik zondig, zo zult Gij mij waarnemen, en van mijn misdaad zult Gij mij niet onschuldig houden.

15. Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben zat van schande, maar aanzie mijn ellende.

16. Want zij verheft zich; gelijk een felle leeuw jaagt Gij mij; Gij keert weder en stelt U wonderlijk tegen mij.

17. Gij vernieuwt Uw getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een heirleger, zijn tegen mij.

18. En waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik den geest gegeven had, en geen oog mij gezien had!

19. Ik zou zijn, alsof ik niet geweest ware; van moeders buik zou ik tot het graf gebracht zijn geweest.

20. Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;

21. Eer ik henenga (en niet wederkom) in een land der duisternis en der schaduwe des doods;

22. Een stikdonker land, als de duisternis zelve, de schaduwe des doods, en zonder ordeningen, en het geeft schijnsel als de duisternis.

1. Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:

2. Zou de veelheid der woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben?

3. Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?

4. Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.

5. Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;

6. En u bekend maakte de verborgenheden der wijsheid, omdat zij dubbel zijn in wezen! Daarom weet, dat God voor u vergeet van uw ongerechtigheid.

7. Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?

8. Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?

9. Langer dan de aarde is haar maat, en breder dan de zee.

10. Indien Hij voorbijgaat, opdat Hij overlevere of vergadere, wie zal dan Hem afkeren?

11. Want Hij kent de ijdele lieden en Hij ziet de ondeugd; zou Hij dan niet aanmerken?

12. Dan zal een verstandeloos man kloekzinnig worden; hoewel de mens als het veulen eens woudezels geboren is.

13. Indien gij uw hart bereid hebt, zo breid uw handen tot Hem uit.

14. Indien er ondeugd in uw hand is, doe die verre weg; en laat het onrecht in uw tenten niet wonen.

15. Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen.

16. Want gij zult de moeite vergeten, en harer gedenken als der wateren, die voorbijgegaan zijn.

17. Ja, uw tijd zal klaarder dan de middag oprijzen; gij zult uitvliegen, als de morgenstond zult gij zijn.

18. En gij zult vertrouwen, omdat er verwachting zal zijn; en gij zult graven, gerustelijk zult gij slapen;

19. En gij zult nederliggen, en niemand zal u verschrikken; en velen zullen uw aangezicht smeken.

20. Maar de ogen der goddelozen zullen bezwijken, en de toevlucht zal van hen vergaan; en hun verwachting zal zijn de uitblazing der ziel.

1. Maar Job antwoordde en zeide:

2. Trouwens, omdat gijlieden het volk zijt, zo zal de wijsheid met ulieden sterven!

3. Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?

4. Ik ben het, die zijn vriend een spot is, maar roepende tot God, Die hem verhoort; de rechtvaardige en oprechte is een spot.

5. Hij is een verachte fakkel, naar de mening desgenen, die gerust is; hij is gereed met den voet te struikelen.

6. De tenten der verwoesters hebben rust, en die Gode tergen, hebben verzekerdheden, om hetgene God met Zijn hand toebrengt.

7. En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.

8. Of spreek tot de aarde, en zij zal het u leren; ook zullen het u de vissen der zee vertellen.

9. Wie weet niet uit alle deze, dat de hand des HEEREN dit doet?

10. In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees des mensen.

11. Zal niet het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich de spijze smaakt?

12. In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand.

13. Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.

14. Ziet, Hij breekt af, en het zal niet herbouwd worden; Hij besluit iemand, en er zal niet opengedaan worden.

15. Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om.

16. Bij Hem is kracht en wijsheid; Zijns is de dwalende, en die doet dwalen.

17. Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig,

18. Den band der koningen maakt Hij los, en Hij bindt den gordel aan hun lenden.

19. Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om.

20. Hij beneemt den getrouwen de spraak, en der ouden oordeel neemt Hij weg.

21. Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt den riem der geweldigen.

22. Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en des doods schaduwe brengt Hij voort in het licht.

23. Hij vermenigvuldigt de volken, en verderft ze; Hij breidt de volken uit, en leidt ze.

24. Hij neemt het hart van de hoofden des volks der aarde weg, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.

25. Zij tasten in de duisternis, waar geen licht is; en Hij doet hen dwalen, als een dronkaard.

1. Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.

2. Gelijk gijlieden het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u.

3. Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.

4. Want gewisselijk, gij zijt leugenstoffeerders; gij allen zijt nietige medicijnmeesters.

5. Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.

6. Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.

7. Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?

8. Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten?

9. Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?

10. Hij zal u gewisselijk bestraffen, zo gij in het verborgene het aangezicht aanneemt.

11. Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?

12. Uw gedachtenissen zijn gelijk as, uw hoogten als hoogten van leem.

13. Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.

14. Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?

15. Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.

16. Ook zal Hij mij tot zaligheid zijn; maar een huichelaar zal voor Zijn aangezicht niet komen.

17. Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.

18. Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.

19. Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.

20. Alleenlijk doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen.

21. Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.

22. Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.

23. Hoeveel misdaden en zonden heb ik? Maak mijn overtreding en mijn zonden mij bekend.

24. Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?

25. Zult Gij een gedreven blad verbrijzelen, en zult Gij een drogen stoppel vervolgen?

26. Want Gij schrijft tegen mij bittere dingen; en Gij doet mij erven de misdaden mijner jonkheid.

27. Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten,

28. En hij veroudert als een verrotting, als een kleed, dat de mot opeet.

1. De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust.

2. Hij komt voort als een bloem, en wordt afgesneden; ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet.

3. Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.

4. Wie zal een reine geven uit den onreine? Niet een.

5. Dewijl zijn dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal;

6. Wend U van hem af, dat hij rust hebbe, totdat hij als een dagloner aan zijn dag een welgevallen hebbe.

7. Want voor een boom, als hij afgehouwen wordt, is er verwachting, dat hij zich nog zal veranderen, en zijn scheut niet zal ophouden.

8. Indien zijn wortel in de aarde veroudert, en zijn stam in het stof versterft;

9. Hij zal van den reuk der wateren weder uitspruiten, en zal een tak maken, gelijk een plant.

10. Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest, waar is hij dan?

11. De wateren verlopen uit een meer, en een rivier droogt uit en verdort;

12. Alzo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden.

13. Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!

14. Als een man gestorven is, zal hij weder leven? Ik zou al de dagen mijns strijds hopen, totdat mijn verandering komen zou.

15. Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn.

16. Maar nu telt Gij mijn treden; Gij bewaart mij niet om mijner zonden wil.

17. Mijn overtreding is in een bundeltje verzegeld, en Gij pakt mijn ongerechtigheid opeen.

18. En voorwaar, een berg vallende vergaat, en een rots wordt versteld uit haar plaats;

19. De wateren vermalen de stenen, het stof der aarde overstelpt het gewas, dat van zelf daaruit voortkomt; alzo verderft Gij de verwachting des mensen.

20. Gij overweldigt hem in eeuwigheid, en hij gaat heen; veranderende zijn gelaat, zo zendt Gij hem weg.

21. Zijn kinderen komen tot eer, en hij weet het niet; of zij worden klein, en hij let niet op hen.

22. Maar zijn vlees, nog aan hem zijnde, heeft smart; en zijn ziel, in hem zijnde, heeft rouw.

Significados: Elifaz.

Você está lendo na edição DUTCH, Dutch, em Holandês.
Este lívro compôe o Antigo Testamento, tem 42 capítulos, e 1058 versículos.