Salmos

1. Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

2. Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!

3. Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?

4. Mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht; omdat zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?

5. Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.

6. Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts.

7. O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte.

8. De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.

9. Maar de HEERE zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot den God mijns levens.

10. Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots! waarom vergeet Gij mij? Waarom ga ik in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?

11. Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God? [ (Psalms 42:12) Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God. ]

1. Doe mij recht, o God! en twist Gij mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van den man des bedrogs en des onrechts.

2. Want Gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?

3. Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot den berg Uwer heiligheid, en tot Uw woningen;

4. En dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging, en U met de harp love, o God, mijn God!

5. Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.

1. Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

2. O God! wij hebben het met onze oren gehoord, onze vaders hebben het ons verteld: Gij hebt een werk gewrocht in hun dagen, in de dagen van ouds.

3. Gij hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven, maar henlieden geplant; Gij hebt de volken geplaagd, henlieden daarentegen doen voortschieten.

4. Want zij hebben het land niet geerfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat Gij een welbehagen in hen hadt.

5. Gij Zelf zijt mijn Koning, o God! gebied de verlossingen Jakobs.

6. Door U zullen wij onze wederpartijders met hoornen stoten; in Uw Naam zullen wij vertreden, die tegen ons opstaan.

7. Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.

8. Maar Gij verlost ons van onze wederpartijders, en Gij maakt onze haters beschaamd.

9. In God roemen wij den gansen dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela.

10. Maar nu hebt Gij ons verstoten en te schande gemaakt, dewijl Gij met onze krijgsheiren niet uittrekt.

11. Gij doet ons achterwaarts keren van den wederpartijder; en onze haters beroven ons voor zich.

12. Gij geeft ons over als schapen ter spijze, en Gij verstrooit ons onder de heidenen.

13. Gij verkoopt Uw volk om geen waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet.

14. Gij stelt ons onze naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn.

15. Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken.

16. Mijn schande is den gansen dag voor mij, en de schaamte mijns aangezichts bedekt mij;

17. Om de stem des honers en des lasteraars, vanwege den vijand en den wraakgierige.

18. Dit alles is ons overkomen, nochtans hebben wij U niet vergeten, noch valselijk gehandeld tegen Uw verbond.

19. Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad.

20. Hoewel Gij ons verpletterd hebt in een plaats der draken, en ons met een doodsschaduw bedekt hebt.

21. Zo wij den Naam onzes Gods hadden vergeten, en onze handen tot een vreemden God uitgebreid.

22. Zou God zulks niet onderzoeken? Want Hij weet de verborgenheden des harten.

23. Maar om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.

24. Waak op, waarom zoudt Gij slapen, HEERE! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid.

25. Waarom zoudt Gij Uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten?

26. Want onze ziel is in het stof nedergebogen; onze buik kleeft aan de aarde. [ (Psalms 44:27) Sta op, ons ter hulp, en verlos ons om Uwer goedertierenheid wil. ]

1. Een onderwijzing, een lied der liefde, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim.

2. Mijn hart geeft een goede rede op; ik zegge mijn gedichten uit van een Koning; mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers.

3. Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid.

4. Gord Uw zwaard aan de heup, o Held! Uw Majesteit en Uw heerlijkheid.

5. En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.

6. Uw pijlen zijn scherp; volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van des Konings vijanden.

7. Uw troon, o God! is eeuwiglijk en altoos; de scepter Uws Koninkrijks is een scepter der rechtmatigheid.

8. Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten.

9. Al Uw klederen zijn mirre, en aloe, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden.

10. Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir.

11. Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis.

12. Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder.

13. En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken.

14. Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel.

15. In gestikte klederen zal zij tot den Koning geleid worden; de jonge dochteren, die achter haar zijn, haar medegezellinnen, zullen tot u gebracht worden.

16. Zij zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging; zij zullen ingaan in des Konings paleis.

17. In plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen zijn; Gij zult hen tot vorsten zetten over de ganse aarde. [ (Psalms 45:18) Ik zal Uws Naams doen gedenken van elk geslacht tot geslacht; daarom zullen U de volken loven eeuwiglijk en altoos. ]

1. Een lied op Alamoth, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

2. God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden.

3. Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart der zeeen;

4. Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door derzelver verheffing! Sela.

5. De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten.

6. God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van den morgenstond.

7. De heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich; Hij verhief Zijn stem, de aarde versmolt.

8. De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela.

9. Komt, aanschouwt de daden des HEEREN, Die verwoestingen op aarde aanricht.

10. Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde, de boog verbreekt, en de spies aan twee slaat, de wagenen met vuur verbrandt.

11. Laat af, en weet, dat Ik God ben; Ik zal verhoogd worden onder de heidenen, Ik zal verhoogd worden op de aarde. [ (Psalms 46:12) De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela. ]

1. Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

2. Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang.

3. Want de HEERE, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de ganse aarde.

4. Hij brengt de volken onder ons, en de natien onder onze voeten.

5. Hij verkiest voor ons onze erfenis, de heerlijkheid van Jakob, dien Hij heeft liefgehad. Sela.

6. God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.

7. Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!

8. Want God is een Koning der ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing!

9. God regeert over de heidenen; God zit op den troon Zijner heiligheid. [ (Psalms 47:10) De edelen der volken zijn verzameld tot het volk van den God van Abraham; want de schilden der aarde zijn Godes. Hij is zeer verheven! ]

1. Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach.

2. De HEERE is groot en zeer te prijzen, in de stad onzes Gods, op den berg Zijner heiligheid.

3. Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad des groten Konings.

4. God is in haar paleizen; Hij is er bekend voor een Hoog Vertrek.

5. Want ziet, de koningen waren vergaderd; zij waren te zamen doorgetogen.

6. Gelijk zij het zagen, alzo waren zij verwonderd; zij werden verschrikt, zij haastten weg.

7. Beving greep hen aldaar aan, smart als van een barende vrouw.

8. Met een oostenwind verbreekt Gij de schepen van Tharsis.

9. Gelijk wij gehoord hadden, alzo hebben wij gezien in de stad des HEEREN der heirscharen, in de stad onzes Gods; God zal haar bevestigen tot in eeuwigheid. Sela.

10. O God! wij gedenken Uwer weldadigheid, in het midden Uws tempels.

11. Gelijk Uw Naam is, o God! alzo is Uw roem tot aan de einden der aarde; Uw rechterhand is vol van gerechtigheid.

12. Laat de berg Sion blijde zijn; laat de dochteren van Juda zich verheugen, om Uwer oordelen wil.

13. Gaat rondom Sion, en omringt haar; telt haar torens;

14. Zet uw hart op haar vesting; beschouwt onderscheidenlijk haar paleizen, opdat gij het aan het navolgende geslacht vertelt. [ (Psalms 48:15) Want deze God is onze God eeuwiglijk en altoos; Hij zal ons geleiden tot den dood toe. ]

1. Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

2. Hoort dit, alle gij volken! neemt ter ore, alle inwoners der wereld,

3. Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!

4. Mijn mond zal enkel wijsheid spreken, en de overdenking mijns harten zal vol verstand zijn.

5. Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn verborgene rede openen op de harp.

6. Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, als de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen?

7. Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid huns rijkdoms roemen;

8. Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven;

9. (Want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden);

10. Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien.

11. Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten.

12. Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen.

13. De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan.

14. Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela.

15. Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in dien morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning.

16. Maar God zal mijn ziel van het geweld des grafs verlossen, want Hij zal mij opnemen. Sela.

17. Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt;

18. Want hij zal in zijn sterven niet met al medenemen, zijn eer zal hem niet nadalen.

19. Hoewel hij zijn ziel in zijn leven zegent, en zij u loven, omdat gij uzelven goed doet;

20. Zo zal zij toch komen tot het geslacht harer vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien. [ (Psalms 49:21) De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan. ]

1. Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang.

2. Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.

3. Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen.

4. Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.

5. Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande!

6. En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.

7. Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israel! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God.

8. Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij.

9. Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien;

10. Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.

11. Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij.

12. Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid.

13. Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?

14. Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.

15. En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.

16. Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?

17. Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt.

18. Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.

19. Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.

20. Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.

21. Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.

22. Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en niemand redde.

23. Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.

1. Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

2. Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan.

3. Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden.

4. Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde.

5. Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij.

6. Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten.

7. Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.

8. Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend.

9. Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.

10. Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt.

11. Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden.

12. Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest.

13. Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij.

14. Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.

15. Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.

16. Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij, God mijns heils! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen.

17. Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen.

18. Want Gij hebt geen lust tot offerande, anders zou ik ze geven; in brandofferen hebt Gij geen behagen.

19. De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten. [ (Psalms 51:20) Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op. ] [ (Psalms 51:21) Dan zult Gij lust hebben aan de offeranden der gerechtigheid, aan brandoffer en een offer, dat gans verteerd wordt; dan zullen zij varren offeren op Uw altaar. ]

1. Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester.

2. Als Doeg, de Edomiet, gekomen was, en Saul te kennen gegeven, en tot hem gezegd had: David is gekomen ten huize van Achimelech.

3. Wat beroemt gij u in het kwaad, o gij geweldige? Gods goedertierenheid duurt toch den gansen dag.

4. Uw tong denkt enkel schade als een geslepen scheermes, werkende bedrog.

5. Gij hebt het kwade liever dan het goede, de leugen, dan gerechtigheid te spreken. Sela.

6. Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.

7. God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.

8. En de rechtvaardigen zullen het zien, en vrezen; en zij zullen over hem lachen, zeggende:

9. Ziet den man, die God niet stelde tot Zijn Sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen. [ (Psalms 52:10) Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos. ] [ (Psalms 52:11) Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat Gij het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten; want hij is goed voor Uw gunstgenoten. ]

1. Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Machalath.

2. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God; zij verderven het, en zij bedrijven gruwelijk onrecht; er is niemand, die goed doet.

3. God heeft van den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.

4. Een ieder van hen is teruggekeerd, te zamen zijn zij stinkende geworden, er is niemand, die goed doet, ook niet een.

5. Hebben dan de werkers der ongerechtigheid geen kennis, die Mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen God niet aan.

6. Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard geworden, waar geen vervaardheid was; want God heeft de beenderen desgenen, die u belegerde, verstrooid; gij hebt hen beschaamd gemaakt, want God heeft hen verworpen. [ (Psalms 53:7) Och, dat Israels verlossingen uit Sion kwamen! Als God de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israel zal verblijd zijn. ]

1. Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth;

2. Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons?

3. O God! verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht.

4. O God! hoor mijn gebed; neig de oren tot de redenen mijns monds.

5. Want vreemden staan tegen mij op, en tirannen zoeken mijn ziel; zij stellen God niet voor hun ogen. Sela.

6. Ziet, God is mij een Helper; de Heere is onder degenen, die mijn ziel ondersteunen.

7. Hij zal dit kwaad mijn verspieders vergelden; roei hen uit door Uw waarheid. [ (Psalms 54:8) Ik zal U met vrijwilligheid offeren; ik zal Uw Naam, o HEERE! loven, want Hij is goed. ] [ (Psalms 54:9) Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid; en mijn oog heeft gezien op mijn vijanden. ]

1. Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.

2. O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.

3. Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier;

4. Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.

5. Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen.

6. Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij;

7. Zodat ik zeg: Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht.

8. Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela.

9. Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van den drijvenden wind, van den storm.

10. Verslind hen, HEERE! deel hun tong; want ik zie wrevel en twist in de stad.

11. Dag en nacht omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar.

12. Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.

13. Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben.

14. Maar gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende!

15. Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods.

16. Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.

17. Mij aangaande, ik zal tot God roepen, en de HEERE zal mij verlossen.

18. Des avonds, en des morgens, en des middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen.

19. Hij heeft mijn ziel in vrede verlost van den strijd tegen mij; want met menigte zijn zij tegen mij geweest.

20. God zal horen, en zal hen plagen, als die van ouds zit, Sela; dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen.

21. Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met Hem hadden; hij ontheiligt Zijn verbond.

22. Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is krijg; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelve zijn blote zwaarden.

23. Werp uw zorg op den HEERE, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele. [ (Psalms 55:24) Maar Gij, o God! zult die doen nederdalen in den put des verderfs; de mannen des bloeds en bedrogs zullen hun dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen. ]

1. Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath.

2. Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; den gansen dag dringt mij de bestrijder.

3. Mijn verspieders zoeken mij den gansen dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!

4. Ten dage, als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen.

5. In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zoude mij vlees doen?

6. Den gansen dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.

7. Zij rotten samen, zij versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn ziel wachten.

8. Zouden zij om hun ongerechtigheid vrijgaan? Stort de volken neder in toorn, o God!

9. Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register?

10. Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is.

11. In God zal ik het woord prijzen; in den HEERE zal ik het woord prijzen.

12. Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?

13. O God! op mij zijn Uw geloften; ik zal U dankzeggingen vergelden; [ (Psalms 56:14) Want Gij hebt mijn ziel gered van den dood; ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht der levenden? ]

1. Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; als hij voor Sauls aangezicht vlood in de spelonk.

2. Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw Uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.

3. Ik zal roepen tot God, den Allerhoogste, tot God, Die het aan mij voleinden zal.

4. Hij zal van den hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden.

5. Mijn ziel is in het midden der leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.

6. Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.

7. Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, mijn ziel was nedergebukt; zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden in gevallen. Sela.

8. Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen.

9. Waak op, mijn eer! waak op, gij, luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.

10. Ik zal U loven onder de volken, o Heere! ik zal U psalmzingen onder de natien.

11. Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken. [ (Psalms 57:12) Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde. ]

1. Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth.

2. Spreekt gijlieden waarlijk gerechtigheid, gij, vergadering? Oordeelt gij billijkheden, gij, mensenkinderen?

3. Ja, gij werkt ongerechtigheden in het hart; gij weegt het geweld uwer handen op de aarde.

4. De goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder aan; de leugensprekers dolen van moeders buik aan.

5. Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oren toestopt;

6. Opdat zij niet hore naar de stem der belezers, desgenen, die ervaren is met bezweringen om te gaan.

7. O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden der jonge leeuwen, o HEERE!

8. Laat hen smelten als water, laat hen daarhenen drijven; legt hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij afgesneden waren.

9. Laat hem henengaan, als een smeltende slak; laat hen, als ener vrouwe misdracht, de zon niet aanschouwen.

10. Eer dan uw potten den doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als in heten toorn wegstormen.

11. De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed des goddelozen. [ (Psalms 58:12) En de mens zal zeggen: Immers is er vrucht voor den rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde richt. ]

1. Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden.

2. Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan.

3. Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds.

4. Want zie, zij leggen mijner ziel lagen; sterken rotten zich tegen mij; zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o HEERE!

5. Zij lopen en bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op mij tegemoet, en zie.

6. Ja, Gij HEERE, God der heirscharen, God Israels! ontwaak, om al deze heidenen te bezoeken; wees niemand van hen genadig, die trouwelooslijk ongerechtigheid bedrijven. Sela.

7. Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.

8. Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?

9. Maar Gij, HEERE! zult hen belachen; Gij zult alle heidenen bespotten.

10. Tegen zijn sterkte zal ik op U wachten; want God is mijn Hoog Vertrek.

11. De God mijner goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn verspieders doen zien.

12. Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heere, ons Schild!

13. Om de zonde huns monds, om het woord hunner lippen; en laat hen gevangen worden in hun hoogmoed; en om den vloek, en om de leugen, die zij vertellen.

14. Verteer hen in grimmigheid; verteer hen, dat zij er niet zijn, en laat hen weten, dat God heerser is in Jakob, ja, tot aan de einden der aarde. Sela.

15. Laat hen dan tegen de avond wederkeren, laat hen tieren als een hond, en rondom de stad gaan;

16. Laat hen zelfs omzwerven om spijs; en laat hen vernachten, al zijn zij niet verzadigd.

17. Maar ik zal Uw sterkte zingen, en des morgens Uw goedertierenheid vrolijk roemen, omdat Gij mij een Hoog Vertrek zijt geweest, en een Toevlucht ten dage, als mij bange was. [ (Psalms 59:18) Van U, o mijn Sterkte! zal ik psalmzingen; want God is mijn Hoog Vertrek, de God mijner goedertierenheid. ]

1. Een gouden kleinood van David tot lering, voor den opperzangmeester, op Schusan Eduth;

2. Als hij gevochten had met de Syriers van Mesopotamie, en met de Syriers van Zoba; en Joab wederkwam, en de Edomieten sloeg in het Zoutdal, twaalf duizend.

3. O God! Gij hadt ons verstoten, Gij hadt ons gescheurd, Gij zijt toornig geweest; keer weder tot ons.

4. Gij hebt het land geschud, Gij hebt het gespleten; genees zijn breuken, want het wankelt.

5. Gij hebt Uw volk een harde zaak doen zien; Gij hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn.

6. Maar nu hebt Gij dengenen, die U vrezen, een banier gegeven, om die op te werpen, vanwege de waarheid. Sela.

7. Opdat Uw beminden zouden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons.

8. God heeft gesproken in Zijn heiligdom; dies zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.

9. Gilead is mijn, en Manasse is mijn, en Efraim is de sterkte mijns hoofds; Juda is mijn wetgever.

10. Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen! juich over mij, o gij Palestina!

11. Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?

12. Zult Gij het niet zijn, o God! Die ons verstoten hadt, en niet uittoogt, o God! met onze heirkrachten? [ (Psalms 60:13) Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid, want 's mensen heil is ijdelheid. ] [ (Psalms 60:14) In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze wederpartijders vertreden. ]

1. Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.

2. O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed.

3. Van het einde des lands roep ik tot U als mijn hart overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn.

4. Want Gij zijt mij een Toevlucht geweest, een sterke Toren voor den vijand.

5. Ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden; ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen. Sela.

6. Want Gij, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; Gij hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen.

7. Gij zult dagen tot des konings dagen toedoen; zijn jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht;

8. Hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden. [ (Psalms 61:9) Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag. ]

1. Een psalm van David, voor den opperzangmeester, over Jeduthun.

2. Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil.

3. Immers is Hij mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Hoog Vertrek, ik zal niet grotelijks wankelen.

4. Hoe lang zult gijlieden kwaad aanstichten tegen een man? Gij allen zult gedood worden; gij zult zijn als een ingebogen wand, een aangestoten muur.

5. Zij raadslagen slechts, om hem van zijn hoogheid te verstoten; zij hebben behagen in leugen; met hun mond zegenen zij; maar met hun binnenste vloeken zij. Sela.

6. Doch gij, o mijn ziel! zwijg Gode; want van Hem is mijn verwachting.

7. Hij is immers mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Hoog Vertrek; ik zal niet wankelen.

8. In God is mijn Heil en mijn Eer; de Rotssteen mijner sterkte, mijn Toevlucht is in God.

9. Vertrouw op Hem te aller tijd, o gij volk! Stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht. Sela.

10. Immers zijn de gemene lieden ijdelheid, de grote lieden zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen lichter zijn dan de ijdelheid.

11. Vertrouwt niet op onderdrukking, noch op roverij; wordt niet ijdel, als het vermogen overvloedig aanwast, en zet er het hart niet op.

12. God heeft een ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is. [ (Psalms 62:13) En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk. ]

1. Een psalm van David, als hij was in de woestijn van Juda.

2. O God! Gij zijt mijn God! ik zoek U in den dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.

3. Voorwaar, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer;

4. Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven; mijn lippen zouden U prijzen.

5. Alzo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen.

6. Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen.

7. Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken.

8. Want Gij zijt mij een hulp geweest; en in de schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen.

9. Mijn ziel kleeft U achteraan; Uw rechterhand ondersteunt mij.

10. Maar dezen, die mijn ziel zoeken tot verwoesting, zullen komen in de onderste plaatsen der aarde.

11. Men zal hen storten door het geweld des zwaards; zij zullen de vossen ten deel worden. [ (Psalms 63:12) Maar de koning zal zich in God verblijden; een iegelijk, die bij Hem zweert, zal zich beroemen; want de mond der leugensprekers zal gestopt worden. ]

1. Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

2. Hoor, o God! mijn stem in mijn geklag; behoed mijn leven voor des vijands schrik.

3. Verberg mij voor den heimelijken raad der boosdoeners, voor de oproerigheid van de werkers der ongerechtigheid.

4. Die hun tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen als hun pijl;

5. Om in verborgen plaatsen den oprechte te schieten; haastig schieten zij naar hem, en vrezen niet.

6. Zij sterken zichzelven in een boze zaak; zij houden spraak van strikken te verbergen; zij zeggen: Wie zal ze zien?

7. Zij doorzoeken allerlei schalkheid; ten uiterste doorzoeken zij, wat te doorzoeken is; zelfs het binnenste eens mans, en het diepe hart.

8. Maar God zal hen haastig met een pijl schieten; hun plagen zijn er.

9. En hun tong zal hen doen aanstoten tegen zichzelven; een ieder, die hen ziet, zal zich wegpakken.

10. En alle mensen zullen vrezen, en Gods werk verkondigen, en Zijn doen verstandelijk aanmerken. [ (Psalms 64:11) De rechtvaardige zal zich verblijden in den HEERE, en op Hem betrouwen; en alle oprechten van hart zullen zich beroemen. ]

1. Een psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester.

2. De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden.

3. Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.

4. Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent Gij.

5. Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis.

6. Vreselijke dingen zult Gij ons in gerechtigheid antwoorden, o God onzes heils! o Vertrouwen aller einden der aarde, en der verre gelegenen aan de zee!

7. Die de bergen vastzet door Zijn kracht, omgord zijnde met macht.

8. Die het bruisen der zeeen stilt, het bruisen harer golven, en het rumoer der volken.

9. En die op de einden wonen, vrezen voor Uw tekenen; Gij doet de uitgangen des morgens en des avonds juichen.

10. Gij bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks; de rivier Gods is vol waters; wanneer Gij het alzo bereid hebt, maakt Gij hunlieder koren gereed.

11. Gij maakt zijn omgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in zijn voren; Gij maakt het week door de druppelen; Gij zegent zijn uitspruitsel.

12. Gij kroont het jaar Uwer goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid.

13. Zij bedruipen de weiden der woestijn; en de heuvelen zijn aangegord met verheuging. [ (Psalms 65:14) De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koren; zij juichen, ook zingen zij. ]

1. Een lied, een psalm, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij ganse aarde!

2. Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.

3. Zegt tot God: Hoe vreselijk zijt Gij in Uw werken! Om de grootheid Uwer sterkte zullen zich Uw vijanden geveinsdelijk aan U onderwerpen.

4. De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.

5. Komt en ziet Gods daden; Hij is vreselijk van werking aan de mensenkinderen.

6. Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd.

7. Hij heerst eeuwiglijk met Zijn macht; Zijn ogen houden wacht over de heidenen; laat de afvalligen niet verhoogd worden. Sela.

8. Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.

9. Die onze zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat onze voet wankele.

10. Want Gij hebt ons beproefd, o God! Gij hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert;

11. Gij hadt ons in het net gebracht; Gij hadt een engen band om onze lenden gelegd;

12. Gij hadt den mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing.

13. Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,

14. Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was.

15. Brandofferen van mergbeesten zal ik U offeren, met rookwerk van rammen; ik zal runderen met bokken bereiden. Sela.

16. Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.

17. Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong.

18. Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben.

19. Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds.

20. Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijn goedertierenheid van mij.

1. Een psalm, een lied, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.

2. God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten. Sela.

3. Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.

4. De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.

5. De natien zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natien op de aarde die zult Gij leiden. Sela.

6. De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.

7. De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen. [ (Psalms 67:8) God zal ons zegenen; en alle einden der aarde zullen Hem vrezen. ]

1. Een psalm, een lied van David, voor den opperzangmeester.

2. God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn haters zullen van Zijn aangezicht vlieden.

3. Gij zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht.

4. Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden; zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en van blijdschap vrolijk zijn.

5. Zingt Gode, psalmzingt Zijn Naam; hoogt de wegen voor Dien, Die in de vlakken velden rijdt, omdat Zijn Naam is HEERE; en springt op van vreugde voor Zijn aangezicht.

6. Hij is een Vader der wezen, en een Rechter der weduwen; God, in de woonstede Zijner heiligheid.

7. Een God, Die de eenzamen zet in een huisgezin, uitvoert, die in boeien gevangen zijn; maar de afvalligen wonen in het dorre.

8. O God! toen Gij voor het aangezicht Uws volks uittoogt, toen Gij daarhenen tradt in de woestijn; Sela.

9. Daverde de aarde, ook dropen de hemelen voor Gods aanschijn; zelfs deze Sinai, voor het aanschijn Gods, des Gods van Israel.

10. Gij hebt zeer milden regen doen druipen, o God! en Gij hebt Uw erfenis gesterkt, als zij mat was geworden.

11. Uw hoop woonde daarin; Gij bereiddet ze door Uw goedheid voor den ellendige, o God!

12. De HEERE gaf te spreken; der boodschappers van goede tijdingen was een grote heirschaar.

13. De koningen der heirscharen vloden weg, zij vloden weg; en zij, die te huis bleef, deelde den roof uit.

14. Al laagt gijlieden tussen twee rijen van stenen, zo zult gij toch worden als vleugelen ener duive, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geluwen goud.

15. Als de Almachtige de koningen daarin verstrooide, werd zij sneeuwwit als op Zalmon.

16. De berg Basan is een berg Gods; de berg Basan is een bultige berg.

17. Waarom springt gij op, gij bultige bergen? Deze berg heeft God begeerd tot Zijn woning; ook zal er de HEERE wonen in eeuwigheid.

18. Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinai in heiligheid!

19. Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God!

20. Geloofd zij de HEERE; dag bij dag overlaadt Hij ons. Die God is onze Zaligheid. Sela.

21. Die God is ons een God van volkomene Zaligheid; en bij den HEERE, den Heere, zijn uitkomsten tegen den dood.

22. Voorzeker zal God den kop Zijner vijanden verslaan, den harigen schedel desgenen, die in zijn schulden wandelt.

23. De Heere heeft gezegd: Ik zal wederbrengen uit Basan; Ik zal wederbrengen uit de diepten der zee;

24. Opdat gij uw voet, ja, de tong uwer honden, moogt steken in het bloed van de vijanden, van een iegelijk van hen.

25. O God! zij hebben Uw gangen gezien, de gangen mijns Gods, mijns Konings, in het heiligdom.

26. De zangers gingen voor, de speellieden achter, in het midden de trommelende maagden.

27. Looft God in de gemeenten, den Heere, gij, die zijt uit den springader van Israel!

28. Daar is Benjamin de kleine, die over hen heerste, de vorsten van Juda, met hun vergadering, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Nafthali.

29. Uw God heeft uw sterkte geboden; sterk, o God, wat Gij aan ons gewrocht hebt!

30. Om Uws tempels wil te Jeruzalem, zullen U de koningen geschenk toebrengen.

31. Scheld het wild gedierte des riets, de vergadering der stieren met de kalveren der volken; en dien, die zich onderwerpt met stukken zilvers; Hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen.

32. Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.

33. Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode; psalmzingt den Heere! Sela.

34. Dien, Die daar rijdt in den hemel der hemelen, Die van ouds is; ziet, Hij geeft Zijn stem, een stem der sterkte.

35. Geeft Gode sterkte! Zijn hoogheid is over Israel, en Zijn sterkte in de bovenste wolken. [ (Psalms 68:36) O God! Gij zijt vreselijk uit Uw heiligdommen; de God Israels, Die geeft den volke sterkte en krachten. Geloofd zij God! ]

1. Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim.

2. Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.

3. Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.

4. Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God.

5. Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.

6. O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.

7. Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!

8. Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.

9. Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.

10. Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.

11. En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.

12. En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.

13. Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.

14. Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.

15. Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.

16. Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.

17. Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden.

18. En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij.

19. Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.

20. Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U.

21. De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.

22. Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.

23. Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.

24. Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.

25. Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.

26. Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.

27. Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.

28. Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.

29. Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.

30. Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.

31. Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken.

32. En het zal den HEERE aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt.

33. De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.

34. Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.

35. Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeen, en al wat daarin wriemelt.

36. Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten; [ (Psalms 69:37) En het zaad Zijner knechten zal haar beerven; en de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen. ]

1. Een psalm van David, voor den opperzangmeester, om te doen gedenken.

2. Haast U, o God, om mij te verlossen, o HEERE, tot mijn hulp.

3. Laat hen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.

4. Laat hen terugkeren tot loon hunner beschaming, die daar zeggen: Ha, ha!

5. Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: God zij groot gemaakt! [ (Psalms 70:6) Doch ik ben ellendig en nooddruftig; o God, haast U tot mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; HEERE, vertoef niet! ]

1. Op U, o HEERE! betrouw ik; laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid.

2. Red mij door Uw gerechtigheid, en bevrijd mij; neig Uw oor tot mij, en verlos mij.

3. Wees mij tot een Rotssteen, om daarin te wonen, om geduriglijk daarin te gaan; Gij hebt bevel gegeven, om mij te verlossen, want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg.

4. Mijn God, bevrijd mij van de hand des goddelozen, van de hand desgenen, die verkeerdelijk handelt, en des opgeblazenen.

5. Want Gij zijt mijn Verwachting, Heere, HEERE! mijn Vertrouwen van mijn jeugd aan.

6. Op U heb ik gesteund van den buik aan; van mijner moeders ingewand aan zijt Gij mijn Uithelper; mijn lof is geduriglijk van U.

7. Ik ben velen als een wonder geweest; doch Gij zijt mijn sterke Toevlucht.

8. Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof, den gansen dag met Uw heerlijkheid.

9. Verwerp mij niet in den tijd des ouderdoms; verlaat mij niet, terwijl mijn kracht vergaat.

10. Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn ziel loeren, beraadslagen te zamen,

11. Zeggende: God heeft hem verlaten; jaagt na, en grijpt hem, want er is geen verlosser.

12. O God, wees niet verre van mij; mijn God! haast U tot mijn hulp.

13. Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn; laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken.

14. Doch ik zal geduriglijk hopen, en zal al Uw lof nog groter maken.

15. Mijn mond zal Uw gerechtigheid vertellen, den gansen dag Uw heil; hoewel ik de getallen niet weet.

16. Ik zal heengaan in de mogendheden des Heeren HEEREN; ik zal Uw gerechtigheid vermelden, de Uwe alleen.

17. O God! Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik Uw wonderen.

18. Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God, totdat ik dezen geslachte verkondige Uw arm, allen nakomelingen Uw macht.

19. Ook is Uw gerechtigheid, o God, tot in de hoogte; Gij, Die grote dingen gedaan hebt; o God! wie is U gelijk?

20. Gij, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken, en zult mij weder ophalen uit de afgronden der aarde.

21. Gij zult mijn grootheid vermeerderen, en mij rondom vertroosten.

22. Ook zal ik U loven met het instrument der luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige Israels!

23. Mijn lippen zullen juichen, wanneer ik U zal psalmzingen, en mijn ziel, die Gij verlost hebt.

24. Ook zal mijn tong Uw gerechtigheid den gansen dag uitspreken, want zij zijn beschaamd, want zij zijn schaamrood geworden, die mijn kwaad zoeken.

1. Voor Salomo. O God! geef den koning Uw rechten, en Uw gerechtigheid den zoon des konings.

2. Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht.

3. De bergen zullen den volke vrede dragen, ook de heuvelen, met gerechtigheid.

4. Hij zal de ellendigen des volks richten; hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen, en den verdrukker verbrijzelen.

5. Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht.

6. Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de druppelen, die de aarde bevochtigen.

7. In zijn dagen zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij.

8. En hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde.

9. De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof lekken.

10. De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren.

11. Ja, alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen, alle heidenen zullen hem dienen.

12. Want hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.

13. Hij zal den arme en nooddruftige verschonen, en de zielen der nooddruftigen verlossen.

14. Hij zal hun zielen van list en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in zijn ogen.

15. En hij zal leven; en men zal hem geven van het goud van Scheba, en men zal geduriglijk voor hem bidden; den gansen dag zal men hem zegenen.

16. Is er een hand vol koren in het land op de hoogte der bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid der aarde.

17. Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in hem gezegend worden; alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen.

18. Geloofd zij de HEERE God, de God Israels, Die alleen wonderen doet.

19. En geloofd zij de Naam Zijner heerlijkheid tot in eeuwigheid; en de ganse aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld. Amen, ja, amen.

20. De gebeden van David, den zoon van Isai, hebbende een einde.

Significados: Hermon, Israel, Saul, Efraim, Edom, Palestina, Sinai.

Você está lendo Salmos na edição DUTCH, Dutch, em Holandês.
Este lívro compôe o Antigo Testamento, tem 150 capítulos, e 2461 versículos.