Salmos

1. Een psalm van Asaf. Immers is God Israel goed, dengenen, die rein van harte zijn.

2. Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.

3. Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.

4. Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.

5. Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd.

6. Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.

7. Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.

8. Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte.

9. Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.

10. Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,

11. Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?

12. Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen.

13. Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.

14. Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.

15. Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.

16. Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;

17. Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.

18. Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.

19. Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!

20. Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten.

21. Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,

22. Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.

23. Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat;

24. Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.

25. Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!

26. Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid.

27. Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert.

28. Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.

1. Een onderwijzing, voor Asaf. O God! waarom verstoot Gij in eeuwigheid? Waarom zou Uw toorn roken tegen de schapen Uwer weide?

2. Gedenk aan Uw vergadering, die Gij van ouds verworven hebt; de roede Uwer erfenis, die Gij verlost hebt; den berg Sion, waarop Gij gewoond hebt.

3. Hef Uw voeten op tot de eeuwige verwoestingen; de vijand heeft alles in het heiligdom verdorven.

4. Uw wederpartijders hebben in het midden van Uw vergaderplaatsen gebruld; zij hebben hun tekenen tot tekenen gesteld.

5. Een ieder werd er bekend als een, die de bijlen omhoog aanbrengt in de dichtigheid van een geboomte.

6. Alzo hebben zij nu derzelver graveerselen samen met houwelen en beukhamers in stukken geslagen.

7. Zij hebben Uw heiligdommen in het vuur gezet; ter aarde toe hebben zij de woning Uws Naams ontheiligd.

8. Zij hebben in hun hart gezegd: Laat ze ons te zamen uitplunderen; zij hebben alle Gods vergaderplaatsen in het land verbrand.

9. Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang.

10. Hoe lang, o God! zal de wederpartijder smaden? Zal de vijand Uw Naam in eeuwigheid lasteren?

11. Waarom trekt Gij Uw hand, ja, Uw rechterhand af? Trek haar uit het midden van Uw boezem; maak een einde.

12. Evenwel is God mijn Koning van ouds af, Die verlossingen werkt in het midden der aarde.

13. Gij hebt door Uw sterkte de zee gespleten; Gij hebt de koppen der draken in de wateren verbroken.

14. Gij hebt de koppen des Leviathans verpletterd; Gij hebt hem tot spijs gegeven aan het volk in dorre plaatsen.

15. Gij hebt een fontein en beek gekliefd; Gij hebt sterke rivieren uitgedroogd.

16. De dag is Uwe, ook is de nacht Uwe; Gij hebt het licht en de zon bereid.

17. Gij hebt al de palen der aarde gesteld; zomer en winter, die hebt Gij geformeerd.

18. Gedenk hieraan; de vijand heeft den HEERE gesmaad, en een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd.

19. Geef aan het wild gedierte de ziel Uwer tortelduif niet over; vergeet den hoop Uwer ellendigen niet in eeuwigheid.

20. Aanschouw het verbond; want de duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld.

21. Laat den verdrukte niet beschaamd wederkeren; laat den ellendige en nooddruftige Uw Naam prijzen.

22. Sta op, o God! twist Uw twistzaak; gedenk der smaadheid, die U van den dwaze wedervaart den gansen dag.

23. Vergeet niet het geroep Uwer wederpartijders; het getier dergenen, die tegen U opstaan, klimt geduriglijk op.

1. Voor den opperzangmeester, Altascheth; een psalm, een lied, voor Asaf.

2. Wij loven U, o God; wij loven, dat Uw Naam nabij is; men vertelt Uw wonderen.

3. Als ik het bestemde ambt zal ontvangen hebben, zo zal ik gans recht richten.

4. Het land en al zijn inwoners waren versmolten; maar ik heb zijn pilaren vastgemaakt. Sela.

5. Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet.

6. Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals.

7. Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn;

8. Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen.

9. Want in des HEEREN hand is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; doch alle goddelozen der aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken.

10. En ik zal het in eeuwigheid verkondigen; ik zal den God Jakobs psalmzingen. [ (Psalms 75:11) En ik zal alle hoornen der goddelozen afhouwen; de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden. ]

1. Een psalm, een lied van Asaf, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.

2. God is bekend in Juda; Zijn Naam is groot in Israel.

3. En in Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion.

4. Aldaar heeft Hij verbroken de vurige pijlen van den boog, het schild, en het zwaard, en den krijg. Sela.

5. Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen.

6. De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden.

7. Van Uw schelden, o God van Jakob! is samen wagen en paard in slaap gezonken.

8. Gij, vreselijk zijt Gij; en wie zal voor Uw aangezicht bestaan, van den tijd Uws toorns af?

9. Gij deedt een oordeel horen uit den hemel; de aarde vreesde en werd stil,

10. Als God opstond ten oordeel, om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. Sela.

11. Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.

12. Doet geloften en betaalt ze den HEERE, uw God, gij allen, die rondom Hem zijt! Laat hen Dien, Die te vrezen is, geschenken brengen; [ (Psalms 76:13) Die den geest der vorsten als druiven afsnijdt; Die den koningen der aarde vreselijk is. ]

1. Een psalm van Asaf, voor den opperzangmeester, over Jeduthun.

2. Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen.

3. Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den HEERE; mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden.

4. Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela.

5. Gij hieldt mijn ogen wakende; ik was verslagen, en sprak niet.

6. Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen.

7. Ik dacht aan mijn snarenspel; in den nacht overlegde ik in mijn hart, en mijn geest onderzocht:

8. Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn?

9. Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht?

10. Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Sela.

11. Daarna zeide ik: Dit krenkt mij; maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert.

12. Ik zal de daden des HEEREN gedenken; ja, ik zal gedenken Uw wonderen van ouds her;

13. En zal al Uw werken betrachten, en van Uw daden spreken.

14. O God! Uw weg is in het heiligdom; wie is een groot God, gelijk God?

15. Gij zijt die God, Die wonder doet; Gij hebt Uw sterkte bekend gemaakt onder de volken.

16. Gij hebt Uw volk door Uw arm verlost; de kinderen van Jakob en van Jozef. Sela.

17. De wateren zagen U, o God! de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd.

18. De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarhenen.

19. Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.

20. Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend. [ (Psalms 77:21) Gij leiddet Uw volk, als een kudde door de hand van Mozes en Aaron. ]

1. Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.

2. Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her;

3. Die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben.

4. Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des HEEREN, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.

5. Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob, en een wet gesteld in Israel; die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken;

6. Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen;

7. En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren;

8. En dat zij niet zouden worden gelijk hun vaders, een wederhorig en wederspannig geslacht; een geslacht, dat zijn hart niet richtte, en welks geest niet getrouw was met God.

9. (De kinderen van Efraim, gewapende boogschutters, keerden om ten dage des strijds.)

10. Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in Zijn wet.

11. En zij vergaten Zijn daden, en Zijn wonderen, die Hij hun had doen zien.

12. Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan.

13. Hij kliefde de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als een hoop.

14. En Hij leidde hen des daags met een wolk, en den gansen nacht met een licht des vuurs.

15. Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden.

16. Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren.

17. Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis.

18. En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar hun lust.

19. En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?

20. Ziet, Hij heeft den rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloediglijk uitbraken, zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volke vlees toebereiden?

21. Daarom hoorde de HEERE, en werd verbolgen; en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israel;

22. Omdat zij in God niet geloofden, en op Zijn heil niet vertrouwden.

23. Daar Hij den wolken van boven gebood, en de deuren des hemels opende;

24. En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren.

25. Een iegelijk at het brood der Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging.

26. Hij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde den zuidenwind aan door Zijn sterkte;

27. En regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeen;

28. En deed het vallen in het midden zijns legers, rondom zijn woningen.

29. Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht.

30. Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond,

31. Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israel nedervelde.

32. Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door Zijn wonderen.

33. Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking.

34. Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg;

35. En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser.

36. En zij vleiden Hem met hun mond, en logen Hem met hun tong.

37. Want hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw in Zijn verbond.

38. Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn ganse grimmigheid niet op.

39. En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert.

40. Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!

41. Want zij kwamen alweder, en verzochten God, en stelden den Heilige Israels een perk.

42. Zij dachten niet aan Zijn hand, aan den dag, toen Hij hen van den wederpartijder verloste;

43. Hoe Hij Zijn tekenen stelde in Egypte, en Zijn wonderheden in het veld van Zoan;

44. En hun vloeden in bloed veranderde, en hun stromen, opdat zij niet zouden drinken.

45. Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en vorsen, die hen verdierven.

46. En Hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan.

47. Hij doodde hun wijnstok door den hagel, en hun wilde vijgebomen door vurigen hagelsteen.

48. Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen.

49. Hij zond onder hen de hittigheid Zijns toorns, verbolgenheid, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending der boden van veel kwaads.

50. Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van den dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over.

51. En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het beginsel der krachten in de tenten van Cham.

52. En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn.

53. Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt.

54. En Hij bracht hen tot de landpale Zijner heiligheid, tot dezen berg, dien Zijn rechterhand verkregen heeft.

55. En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer hunner erfenis, en deed de stammen Israels in hun tenten wonen.

56. Maar zij verzochten en verbitterden God, den Allerhoogste, en onderhielden Zijn getuigenissen niet.

57. En zij weken terug, en handelden trouwelooslijk, gelijk hun vaders; zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog.

58. En zij verwekten Hem tot toorn door hun hoogten, en verwekten Hem tot ijver door hun gesneden beelden.

59. God hoorde het en werd verbolgen, en versmaadde Israel zeer.

60. Dies verliet Hij den tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen.

61. En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand des wederpartijders.

62. En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd verbolgen tegen Zijn erfenis.

63. Het vuur verteerde hun jongelingen, en hun jonge dochters werden niet geprezen.

64. Hun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen weenden niet.

65. Toen ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht van den wijn.

66. En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan.

67. Doch Hij verwierp de tent van Jozef, en den stam van Efraim verkoos Hij niet.

68. Maar Hij verkoos den stam van Juda, den berg Sion, dien Hij liefhad.

69. En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid.

70. En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien;

71. Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israel, Zijn erfenis.

72. Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen.

1. Een psalm van Asaf. O God! Heidenen zijn gekomen in Uw erfenis; zij hebben den tempel Uwer heiligheid verontreinigd; zij hebben Jeruzalem tot steenhopen gesteld.

2. Zij hebben de dode lichamen Uwer knechten aan het gevogelte des hemels tot spijs gegeven; het vlees Uwer gunstgenoten aan het gedierte des lands.

3. Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten; en er was niemand, die hen begroef.

4. Wij zijn onzen naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp dien, die rondom ons zijn.

5. Hoe lang, HEERE? Zult Gij eeuwiglijk toornen? Zal Uw ijver als vuur branden?

6. Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.

7. Want men heeft Jakob opgegeten, en zij hebben zijn liefelijke woning verwoest.

8. Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden.

9. Help ons, o God onzes heils! ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil.

10. Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat de wraak des vergoten bloeds Uwer knechten onder de heidenen voor onze ogen bekend worden.

11. Laat het gekerm der gevangenen voor Uw aanschijn komen; behoud overig de kinderen des doods, naar de grootheid Uws arms.

12. En geef onze naburen zevenvoudig weder in hun schoot hun smaad, waarmede zij U, o Heere! gesmaad hebben.

13. Zo zullen wij, Uw volk en de schapen Uwer weide, U loven in eeuwigheid, van geslacht tot geslacht; wij zullen Uw roem vertellen.

1. Voor den opperzangmeester, op Schoschannim; een getuigenis, een psalm van Asaf.

2. O Herder Israels! neem ter ore, Die Jozef als schapen leiddet; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkende.

3. Wek Uw macht op voor het aangezicht van Efraim, en Benjamin, en Manasse, en kom tot onze verlossing.

4. O God! breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden.

5. O HEERE, God der heirscharen! hoe lang zult Gij roken tegen het gebed Uws volks?

6. Gij spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling.

7. Gij hebt ons onzen naburen tot een twist gesteld, en onze vijanden spotten onder zich.

8. O God der heirscharen! breng ons weder, en laat Uw aangezicht lichten; zo zullen wij verlost worden.

9. Gij hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven, en hebt denzelven geplant;

10. Gij hebt de plaats voor hem bereid, en zijn wortelen doen inwortelen, zodat hij het land vervuld heeft.

11. De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest, en zijn ranken waren als cederbomen Gods.

12. Hij schoot zijn ranken uit tot aan de zee, en zijn scheuten tot aan de rivier.

13. Waarom hebt Gij zijn muren doorgebroken, zodat allen, die den weg voorbijgaan, hem plukken?

14. Het zwijn uit het woud heeft hem uitgewroet, en het wild des velds heeft hem afgeweid.

15. O God der heirscharen! keer toch weder; aanschouw uit den hemel, en zie, en bezoek dezen wijnstok,

16. En den stam, dien Uw rechterhand geplant heeft, en dat om den zoon, dien Gij U gesterkt hebt!

17. Hij is met vuur verbrand; hij is afgehouwen; zij komen om van het schelden Uws aangezichts.

18. Uw hand zij over den man Uwer rechterhand, over des mensen zoon, dien Gij U gesterkt hebt.

19. Zo zullen wij van U niet terugkeren; behoud ons in het leven, zo zullen wij Uw Naam aanroepen. [ (Psalms 80:20) O HEERE, God der heirscharen! breng ons weder; laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden. ]

1. Voor den opperzangmeester, op de Gittith, een psalm van Asaf.

2. Zingt vrolijk Gode, onze Sterkte; juicht den God van Jakob.

3. Heft een psalm op, en geeft de trommel; de liefelijke harp met de luit.

4. Blaast de bazuin in de nieuwe maan, ter bestemder tijd, op onzen feestdag.

5. Want dit is een inzetting in Israel, een recht van den God Jakobs.

6. Hij heeft het gezet tot een getuigenis in Jozef, als Hij uitgetogen was tegen Egypteland; alwaar ik gehoord heb een spraak, die ik niet verstond;

7. Ik heb zijn schouder van den last onttrokken; zijn handen zijn van de potten ontslagen.

8. In de benauwdheid riept gij, en Ik hielp u uit; Ik antwoordde u uit de schuilplaats des donders; Ik beproefde u aan de wateren van Meriba. Sela.

9. Mijn volk, zeide Ik hoor toe, en Ik zal onder u betuigen, Israel, of gij naar Mij hoordet!

10. Er zal onder u geen uitlands god wezen, en gij zult u voor geen vreemden god nederbuigen.

11. Ik ben de Heere, uw God, Die u heb opgevoerd uit het land van Egypte; doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.

12. Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord; en Israel heeft Mijner niet gewild.

13. Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hun raadslagen.

14. Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israel in Mijn wegen gewandeld had!

15. In kort zou Ik hun vijanden gedempt hebben, en Mijn hand gewend hebben tegen hun wederpartijders.

16. Die den HEERE haten, zouden zich Hem geveinsdelijk onderworpen hebben, maar hunlieder tijd zou eeuwig geweest zijn. [ (Psalms 81:17) En Hij zou het gespijsd hebben met het vette der tarwe; ja, Ik zou u verzadigd hebben met honig uit de rotsstenen. ]

1. Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering Godes; Hij oordeelt in het midden der goden;

2. Hoe lang zult gijlieden onrecht oordelen, en het aangezicht der goddelozen aannemen? Sela.

3. Doet recht den arme en den wees; rechtvaardigt den verdrukte en den arme.

4. Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.

5. Zij weten niet, en verstaan niet; zij wandelen steeds in duisternis; dies wankelen alle fondamenten der aarde.

6. Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden; en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten;

7. Nochtans zult gij sterven als een mens; en als een van de vorsten zult gij vallen.

8. Sta op, o God! oordeel het aardrijk, want Gij bezit alle natien.

1. Een lied, een psalm van Asaf.

2. O God! zwijg niet, houd U niet als doof, en zijt niet stil, o God!

3. Want zie, Uw vijanden maken getier, en Uw haters steken het hoofd op.

4. Zij maken listiglijk een heimelijken aanslag tegen Uw volk, en beraadslagen zich tegen Uw verborgenen.

5. Zij hebben gezegd: Komt, en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn; dat aan den naam Israels niet meer gedacht worde.

6. Want zij hebben in het hart te zamen geraadslaagd; tegen U hebben zij een verbond gemaakt;

7. De tenten van Edom en der Ismaelieten, Moab en de Hagarenen;

8. Gebal, en Ammon, en Amalek, Palestina met de inwoners van Tyrus.

9. Ook heeft zich Assur bij hen gevoegd; zij zijn den kinderen van Lot tot een arm geweest. Sela.

10. Doe hun als Midian, als Sisera, als Jabin aan de beek Kison;

11. Die verdelgd zijn te Endor; zij zijn geworden tot drek der aarde.

12. Maak hen en hun prinsen als Oreb en als Zeeb, en al hun vorsten als Zebah en als Zalmuna;

13. Die zeiden: Laat ons de schone woningen Gods voor ons in erfelijke bezitting nemen.

14. Mijn God! maak hen als een wervel, als stoppelen voor den wind.

15. Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt;

16. Vervolg hen alzo met Uw onweder, en verschrik hen met Uw draaiwind.

17. Maak hun aangezicht vol schande, opdat zij, o HEERE! Uw Naam zoeken.

18. Laat hen beschaamd en verschrikt wezen tot in eeuwigheid, en laat hen schaamrood worden, en omkomen; [ (Psalms 83:19) Opdat zij weten, dat Gij alleen met Uw Naam zijt de HEERE, de Allerhoogste over de ganse aarde. ]

1. Voor den opperzangmeester, op de Gittith; een psalm, voor de kinderen van Korach.

2. Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen!

3. Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God.

4. Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning, en mijn God!

5. Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. Sela.

6. Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, in welker hart de gebaande wegen zijn.

7. Als zij door het dal der moerbezienbomen doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein; ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken.

8. Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.

9. HEERE, God der heirscharen! hoor mijn gebed; neem het ter oren, o God van Jakob! Sela.

10. O God, ons Schild! zie, en aanschouw het aangezicht Uws gezalfden.

11. Want een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid.

12. Want God, de HEERE, is een Zon en Schild; de HEERE zal genade en eer geven; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen. [ (Psalms 84:13) HEERE der heirscharen! welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt. ]

1. Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

2. Gij zijt Uw lande gunstig geweest, HEERE! de gevangenis van Jakob hebt Gij gewend.

3. De misdaad Uws volks hebt Gij weggenomen; Gij hebt al hun zonden bedekt. Sela.

4. Gij hebt weggenomen al Uw verbolgenheid; Gij hebt U gewend van de hittigheid Uws toorns.

5. Breng ons weder, o God onzes heils! en doe te niet Uw toornigheid over ons.

6. Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht?

7. Zult Gij ons niet weder levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde?

8. Toon ons Uw goedertierenheid, o HEERE, en geef ons Uw heil.

9. Ik zal horen, wat God, de HEERE, spreken zal; want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenoten van vrede spreken; maar dat zij niet weder tot dwaasheid keren.

10. Zekerlijk, Zijn heil is nabij degenen, die Hem vrezen, opdat in ons land eer wone.

11. De goedertierenheid en waarheid zullen elkander ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen.

12. De waarheid zal uit de aarde spruiten, en gerechtigheid zal van den hemel nederzien.

13. Ook zal de HEERE het goede geven; en ons land zal zijn vrucht geven. [ (Psalms 85:14) De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht henengaan, en Hij zal ze zetten op den weg Zijner voetstappen. ]

1. Een gebed van David. HEERE! neig Uw oor, verhoor mij; want ik ben ellendig en nooddruftig.

2. Bewaar mijn ziel, want ik ben Uw gunstgenoot, o Gij, mijn God! verlos Uw knecht die op U betrouwt.

3. Zijt mij genadig, HEERE! want ik roep tot U den gansen dag.

4. Verheug de ziel Uws knechts; want tot U, HEERE! verhef ik mijn ziel.

5. Want Gij, HEERE! zijt goed, en gaarne vergevende, en van grote goedertierenheid allen, die U aanroepen.

6. HEERE! neem mijn gebed ter ore, en merk op de stem mijner smekingen.

7. In den dag mijner benauwdheid roep ik U aan, want Gij verhoort mij.

8. Onder de goden is niemand U gelijk, Heere! en er zijn geen gelijk Uw werken.

9. Al de heidenen, Heere! die Gij gemaakt hebt, zullen komen, en zullen zich voor Uw aanschijn nederbuigen, en Uw Naam eren.

10. Want Gij zijt groot, en doet wonderwerken; Gij alleen zijt God.

11. Leer mij, HEERE! Uw weg; ik zal in Uw waarheid wandelen; verenig mijn hart tot de vreze Uws Naams.

12. Heere, mijn God! ik zal U met mijn ganse hart loven, en ik zal Uw Naam eren in eeuwigheid;

13. Want Uw goedertierenheid is groot over mij; en Gij hebt mijn ziel uit het onderste des grafs uitgerukt.

14. O God! de hovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen der tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen.

15. Maar Gij, Heere! zijt een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid.

16. Wend U tot mij, en zijt mij genadig, geef Uw knecht Uw sterkte, en verlos den zoon Uwer dienstmaagd.

17. Doe aan mij een teken ten goede, opdat het mijn haters zien, en beschaamd worden, als Gij, HEERE! mij geholpen, en mij getroost zult hebben.

1. Een psalm, een lied voor de kinderen van Korach. Zijn grondslag is op de bergen der heiligheid.

2. De HEERE bemint de poorten van Sion boven alle woningen van Jakob.

3. Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods! Sela.

4. Ik zal Rahab en Babel vermelden, onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijn, en de Tyrier, met den Moor, deze is aldaar geboren.

5. En van Sion zal gezegd worden: Die en die is daarin geboren; en de Allerhoogste Zelf zal hen bevestigen.

6. De HEERE zal hen rekenen in het opschrijven der volken, zeggende: Deze is aldaar geboren. Sela.

7. En de zangers, gelijk de speellieden, mitsgaders al mijn fonteinen, zullen binnen u zijn.

1. Een lied, een psalm voor de kinderen van Korach, voor den opperzangmeester, op Machalath Leannoth; een onderwijzing van Heman, den Ezrahiet.

2. O HEERE, God mijns heils! bij dag, bij nacht roep ik voor U.

3. Laat mijn gebed voor Uw aanschijn komen; neig Uw oor tot mijn geschrei.

4. Want mijn ziel is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf.

5. Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is;

6. Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand.

7. Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten.

8. Uw grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren. Sela.

9. Mijn bekenden hebt Gij verre van mij gedaan, Gij hebt mij hun tot een groten gruwel gesteld; ik ben besloten, en kan niet uitkomen.

10. Mijn oog treurt vanwege verdrukking; HEERE! ik roep tot U den gansen dag; ik strek mijn handen uit tot U.

11. Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela.

12. Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid in het verderf?

13. Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?

14. Maar ik, HEERE! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in den morgenstond.

15. HEERE! waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt Uw aanschijn voor mij?

16. Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.

17. Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan.

18. Den gansen dag omringen zij mij als water; te zamen omgeven zij mij. [ (Psalms 88:19) Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden zijn in duisternis. ]

1. Een onderwijzing van Ethan, den Ezrahiet.

2. Ik zal de goedertierenheid des HEEREN eeuwiglijk zingen; ik zal Uw waarheid met mijn mond bekend maken, van geslacht tot geslacht.

3. Want ik heb gezegd: Uw goedertierenheid zal eeuwiglijk gebouwd worden; in de hemelen zelve hebt Gij Uw waarheid bevestigd, zeggende:

4. Ik heb een verbond gemaakt met Mijn uitverkorene; Ik heb Mijn knecht David gezworen:

5. Ik zal uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en uw troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Sela.

6. Dies loven de hemelen Uw wonderen, o HEERE! ook is Uw getrouwheid in de gemeente der heiligen.

7. Want wie mag in den hemel tegen den HEERE geschat worden? Wie is den HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken?

8. God is grotelijks geducht in den raad der heiligen, en vreselijk boven allen, die rondom Hem zijn.

9. O HEERE, God der heirscharen! wie is als Gij, grootmachtig, o HEERE! en Uw getrouwheid is rondom U.

10. Gij heerst over de opgeblazenheid der zee; wanneer haar baren zich verheffen, zo stilt Gij ze.

11. Gij hebt Rahab verbrijzeld als een verslagene; Gij hebt Uw vijanden verstrooid met den arm Uwer sterkte.

12. De hemel is Uwe, ook is de aarde Uwe; de wereld en haar volheid, die hebt Gij gegrond.

13. Het noorden en het zuiden, die hebt Gij geschapen; Thabor en Hermon juichen in Uw Naam.

14. Gij hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand is hoog.

15. Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn henen.

16. Welgelukzalig is het volk, hetwelk het geklank kent; o HEERE! zij zullen in het licht Uws aanschijns wandelen.

17. Zij zullen zich den gansen dag verheugen in Uw Naam, en door Uw gerechtigheid verhoogd worden.

18. Want Gij zijt de heerlijkheid hunner sterkte; en door Uw welbehagen zal onze hoorn verhoogd worden.

19. Want ons schild is van den HEERE, en onze koning is van den Heilige Israels.

20. Toen hebt Gij in een gezicht gesproken van Uw heilige, en gezegd: Ik heb hulp besteld bij een held; Ik heb een verkorene uit het volk verhoogd.

21. Ik heb David, Mijn knecht, gevonden; met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd;

22. Met welken Mijn hand vast blijven zal; ook zal hem Mijn arm versterken.

23. De vijand zal hem niet dringen, en de zoon der ongerechtigheid zal hem niet onderdrukken.

24. Maar Ik zal zijn wederpartijders verpletteren voor zijn aangezicht, en die hem haten, zal Ik plagen.

25. En Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn; en zijn hoorn zal in Mijn Naam verhoogd worden.

26. En Ik zal zijn hand in de zee zetten, en zijn rechterhand in de rivieren.

27. Hij zal Mij noemen: Gij zijt mijn Vader! mijn God, en de Rotssteen mijns heils!

28. Ook zal Ik hem ten eerstgeborenen zoon stellen, ten hoogste over de koningen der aarde.

29. Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en Mijn verbond zal hem vast blijven.

30. En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen der hemelen.

31. Indien zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen;

32. Indien zij Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden;

33. Zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen.

34. Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, en in Mijn getrouwheid niet feilen.

35. Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen.

36. Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege!

37. Zijn zaad zal in der eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon.

38. Hij zal eeuwiglijk bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige in den hemel is getrouw. Sela.

39. Maar Gij hebt hem verstoten en verworpen; Gij zijt verbolgen geworden tegen Uw gezalfde.

40. Gij hebt het verbond Uws knechts te niet gedaan; Gij hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde.

41. Gij hebt al zijn muren doorgebroken; Gij hebt zijn vestingen nedergeworpen.

42. Allen, die den weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn naburen is hij tot een smaad geweest.

43. Gij hebt de rechterhand zijner wederpartijders verhoogd; Gij hebt al zijn vijanden verblijd.

44. Gij hebt ook de scherpte zijns zwaards omgekeerd, en hebt hem niet staande gehouden in den strijd.

45. Gij hebt zijn schoonheid doen ophouden; en Gij hebt zijn troon ter aarde nedergestoten.

46. Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela.

47. Hoe lang, o HEERE! zult Gij U steeds verbergen, zal Uw grimmigheid branden als een vuur?

48. Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?

49. Wat man leeft er, die den dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld des grafs? Sela.

50. HEERE! waar zijn Uw vorige goedertierenheden, die Gij David gezworen hebt bij Uw trouw?

51. Gedenk, HEERE! aan de smaad Uwer knechten, dien ik in mijn boezem draag, van alle grote volken.

52. Waarmede, o HEERE! Uw vijanden smaden, waarmede zij de voetstappen Uws gezalfden smaden. [ (Psalms 89:53) Geloofd zij de HEERE in eeuwigheid! Amen, ja, amen. ]

Significados: Israel, Efraim, Edom, Palestina, Babel, Hermon.

Você está lendo Salmos na edição DUTCH, Dutch, em Holandês.
Este lívro compôe o Antigo Testamento, tem 150 capítulos, e 2461 versículos.