Salmos

1. Een gebed van Mozes, den man Gods. HEERE! Gij zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht.

2. Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.

3. Gij doet den mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen!

4. Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak.

5. Gij overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in den morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert;

6. In den morgenstond bloeit het, en het verandert; des avonds wordt het afgesneden, en het verdort.

7. Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.

8. Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.

9. Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte.

10. Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.

11. Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?

12. Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.

13. Keer weder, HEERE! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten.

14. Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen.

15. Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.

16. Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.

17. En de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods; zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat.

1. Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.

2. Ik zal tot den HEERE zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welken ik vertrouw!

3. Want Hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie.

4. Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar.

5. Gij zult niet vrezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt;

6. Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat op den middag verwoest.

7. Aan uw zijden zullen er duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken.

8. Alleenlijk zult gij het met uw ogen aanschouwen; en gij zult de vergelding der goddelozen zien.

9. Want Gij, HEERE! zijt mijn Toevlucht! De Allerhoogste hebt gij gesteld tot uw Vertrek;

10. U zal geen kwaad wedervaren, en geen plage zal uw tent naderen.

11. Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.

12. Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.

13. Op den fellen leeuw en de adder zult gij treden, gij zult den jongen leeuw en den draak vertreden.

14. Dewijl hij Mij zeer bemint, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam.

15. Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken.

16. Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en Ik zal hem Mijn heil doen zien.

1. Een psalm, een lied, op den sabbatdag.

2. Het is goed, dat men den HEERE love, en Uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste!

3. Dat men in den morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten;

4. Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp.

5. Want Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden, ik zal juichen over de werken Uwer handen.

6. O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.

7. Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelve niet;

8. Dat de goddelozen groeien als het kruid, en al de werkers der ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden.

9. Maar Gij zijt de Allerhoogste in eeuwigheid de HEERE!

10. Want zie, Uw vijanden, o HEERE! want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden.

11. Maar Gij zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns; ik ben met verse olie overgoten.

12. En mijn oog zal mijn verspieders aanschouwen; mijn oren zullen het horen, aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan.

13. De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal wassen als een cederboom op Libanon.

14. Die in het huis des HEEREN geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods.

15. In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn, [ (Psalms 92:16) Om te verkondigen, dat de HEERE recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht. ]

1. De HEERE regeert, Hij is met hoogheid bekleed; de HEERE is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen.

2. Van toen af is Uw troon bevestigd, Gij zijt van eeuwigheid af.

3. De rivieren verheffen, o HEERE! de rivieren verheffen haar bruisen; de rivieren verheffen haar aanstoting.

4. Doch de HEERE in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van grote wateren, dan de geweldige baren der zee.

5. Uw getuigenissen zijn zeer getrouw; de heiligheid is Uw huize sierlijk, HEERE! tot lange dagen.

1. O God der wraken! o HEERE, God der wraken! verschijn blinkende.

2. Gij, Rechter der aarde! verhef U; breng vergelding weder over de hovaardigen.

3. Hoe lang zullen de goddelozen, o HEERE! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen?

4. Uitgieten? hard spreken? alle werkers der ongerechtigheid zich beroemen?

5. O HEERE! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel.

6. De weduwe en den vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen.

7. En zeggen: De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.

8. Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?

9. Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen?

10. Zou Hij, Die de heidenen tuchtigt, niet straffen, Hij, Die den mens wetenschap leert?

11. De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.

12. Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet,

13. Om hem rust te geven van de kwade dagen; totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt.

14. Want de HEERE zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten.

15. Want het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid; en alle oprechten van hart zullen hetzelve navolgen.

16. Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid?

17. Ten ware dat de HEERE mij een Hulp geweest ware, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond.

18. Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij.

19. Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt.

20. Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting?

21. Zij rotten zich samen tegen de ziel des rechtvaardigen, en zij verdoemen onschuldig bloed.

22. Doch de HEERE is mij geweest tot een Hoog Vertrek, en mijn God tot een Steenrots mijner toevlucht.

23. En Hij zal hun ongerechtigheid op hen doen wederkeren, en Hij zal hen in hun boosheid verdelgen; de HEERE, onze God, zal hen verdelgen.

1. Komt, laat ons den HEERE vrolijk zingen; laat ons juichen den Rotssteen onzes heils.

2. Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons Hem juichen met psalmen.

3. Want de HEERE is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;

4. In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne;

5. Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge geformeerd.

6. Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor den HEERE, Die ons gemaakt heeft.

7. Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand. Heden, zo gij Zijn stem hoort,

8. Verhardt uw hart niet, gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn;

9. Waar Mij uw vaders verzochten, Mij beproefden, ook Mijn werk zagen.

10. Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.

11. Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!

1. Zingt den HEERE een nieuw lied; zingt de HEERE, gij ganse aarde!

2. Zingt den HEERE, looft Zijn Naam; boodschapt Zijn heil van dag tot dag.

3. Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen.

4. Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen; Hij is vreselijk boven alle goden.

5. Want al de goden der volken zijn afgoden; maar de HEERE heeft de hemelen gemaakt.

6. Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en sieraad in Zijn heiligdom.

7. Geeft den HEERE, gij geslachten der volken! geeft den HEERE eer en sterkte.

8. Geeft den HEERE de eer Zijns Naams; brengt offer, en komt in Zijn voorhoven.

9. Aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms; schrikt voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde.

10. Zegt onder de heidenen: De HEERE regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid.

11. Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met haar volheid.

12. Dat het veld huppele van vreugde met al wat er in is, dat dan al de bomen des wouds juichen.

13. Voor het aangezicht des HEEREN; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid.

1. De HEERE regeert, de aarde verheuge zich; dat veel eilanden zich verblijden.

2. Rondom Hem zijn wolken en donkerheid, gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Zijns troons.

3. Een vuur gaat voor Zijn aangezicht heen, en het steekt Zijn wederpartijen rondom aan brand.

4. Zijn bliksemen verlichten de wereld; het aardrijk ziet ze en het beeft.

5. De bergen smelten als was voor het aanschijn des HEEREN, voor het aanschijn des HEEREN der ganse aarde.

6. De hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid, en alle volken zien Zijn eer.

7. Beschaamd moeten wezen allen, die de beelden dienen, die zich op afgoden beroemen; buigt u neder voor Hem, alle gij goden!

8. Sion heeft gehoord, en het heeft zich verblijd, en de dochteren van Juda hebben zich verheugd vanwege Uw oordelen, o HEERE!

9. Want Gij, HEERE! zijt de Allerhoogste over de gehele aarde; Gij zijt zeer hoog verheven boven alle goden.

10. Gij liefhebbers des HEEREN! haat het kwade; Hij bewaart de zielen Zijner gunstgenoten; Hij redt hen uit der goddelozen hand.

11. Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid, en vrolijkheid voor de oprechten van hart.

12. Gij rechtvaardigen! verblijdt u in den HEERE, en spreekt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.

1. Een psalm. Zingt den HEERE een nieuw lied; want Hij heeft wonderen gedaan; Zijn rechterhand, en de arm Zijner heiligheid, heeft Hem heil gegeven.

2. De HEERE heeft Zijn heil bekend gemaakt; Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der heidenen.

3. Hij is gedachtig geweest Zijner goedertierenheid, en Zijner waarheid aan het huis Israels; en al de einden der aarde hebben gezien het heil onzes Gods.

4. Juicht den HEERE, gij ganse aarde! roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt.

5. Psalmzingt den HEERE met de harp, met de harp en met de stem des gezangs,

6. Met trompetten en bazuinengeklank; juicht voor het aangezicht des Konings, des HEEREN.

7. De zee bruise met haar volheid, de wereld met degenen, die daarin wonen.

8. Dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten vreugde bedrijven,

9. Voor het aangezicht des HEEREN, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in alle rechtmatigheid.

1. De HEERE regeert, dat de volken beven; Hij zit tussen de cherubim; de aarde bewege zich.

2. De HEERE is groot in Sion, en Hij is hoog boven alle volken.

3. Dat zij Uw groten en vreselijken Naam loven, die heilig is;

4. En de sterkte des Konings, die het recht lief heeft. Gij hebt billijkheden bevestigd, Gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.

5. Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u neder voor de voetbank Zijner voeten; Hij is heilig!

6. Mozes en Aaron waren onder Zijn priesters, en Samuel onder de aanroepers Zijns Naams; zij riepen tot den HEERE, en Hij verhoorde hen.

7. Hij sprak tot hen in een wolkkolom; zij hebben Zijn getuigenissen onderhouden, en de inzettingen, die Hij hun gegeven had.

8. O HEERE, onze God! Gij hebt hen verhoord, Gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wraak doende over hun daden.

9. Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u voor den berg Zijner heiligheid; want de HEERE, onze God, is heilig.

1. Een lofzang. Gij ganse aarde! juicht den HEERE.

2. Dient den HEERE met blijdschap, komt voor Zijn aanschijn met vrolijk gezang.

3. Weet, dat de HEERE is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen Zijner weide.

4. Gaat in tot Zijn poorten met lof, in Zijn voorhoven met lofgezang; looft Hem, prijst Zijn Naam.

5. Want de HEERE is goed; Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid, en Zijn getrouwheid van geslacht tot geslacht.

1. Een psalm van David. Ik zal van goedertierenheid en recht zingen; U zal ik psalmzingen, o HEERE!

2. Ik zal verstandelijk handelen in den oprechten weg; wanneer zult Gij tot mij komen? Ik zal in het midden mijns huizes wandelen, in oprechtigheid mijns harten.

3. Ik zal geen Belials-stuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven.

4. Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.

5. Die zijn naaste in het heimelijke achterklapt; dien zal ik verdelgen; die hoog van ogen is, en trots van hart, die zal ik niet vermogen.

6. Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat zij bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen.

7. Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet blijven; die leugenen spreekt, zal voor mijn ogen niet bevestigd worden.

8. Allen morgen zal ik alle goddelozen des lands verdelgen, om uit de stad des HEEREN alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien.

1. Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht des HEEREN.

2. O HEERE! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen.

3. Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid; ten dagen als ik roep, verhoor mij haastelijk.

4. Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard.

5. Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.

6. Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees, vanwege de stem mijns zuchtens.

7. Ik ben een roerdomp der woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil der wildernissen.

8. Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.

9. Mijn vijanden smaden mij al den dag; die tegen mij razen, zweren bij mij.

10. Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.

11. Vanwege Uw verstoordheid en Uw groten toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen.

12. Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras.

13. Maar Gij, HEERE! blijft in eeuwigheid, en Uw gedachtenis van geslacht tot geslacht.

14. Gij zult opstaan, Gij zult U ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen.

15. Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen, en hebben medelijden met haar gruis.

16. Dan zullen de heidenen den Naam des HEEREN vrezen, en alle koningen der aarde Uw heerlijkheid.

17. Als de HEERE Sion zal opgebouwd hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn,

18. Zich gewend zal hebben tot het gebed desgenen, die gans ontbloot is, en niet versmaad hebben hunlieder gebed;

19. Dat zal geschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk, dat geschapen zal worden, zal den HEERE loven;

20. Omdat Hij uit de hoogte Zijns heiligdoms zal hebben nederwaarts gezien; dat de HEERE uit den hemel op de aarde geschouwd zal hebben;

21. Om het zuchten der gevangenen te horen, om los te maken de kinderen des doods;

22. Opdat men den Naam des HEEREN vertelle te Sion, en Zijn lof te Jeruzalem;

23. Wanneer de volken samen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om den HEERE te dienen.

24. Hij heeft mijn kracht op den weg ter nedergedrukt; mijn dagen heeft Hij verkort.

25. Ik zeide: Mijn God! neem mij niet weg in het midden mijner dagen; Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht.

26. Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk Uwer handen;

27. Die zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden; Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn.

28. Maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet geeindigd worden. [ (Psalms 102:29) De kinderen Uwer knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden. ]

1. Een psalm van David. Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam.

2. Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden;

3. Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw krankheden geneest;

4. Die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden;

5. Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als eens arends.

6. De HEERE doet gerechtigheid en gerichten al dengenen, die onderdrukt worden.

7. Hij heeft Mozes Zijn wegen bekend gemaakt, den kinderen Israels Zijn daden.

8. Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid.

9. Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden.

10. Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.

11. Want zo hoog de hemel is boven de aarde, is Zijn goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vrezen.

12. Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons.

13. Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen.

14. Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.

15. De dagen des mensen zijn als het gras, gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij.

16. Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.

17. Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen;

18. Aan degenen, die Zijn verbond houden, en die aan Zijn bevelen denken, om die te doen.

19. De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.

20. Looft den HEERE, Zijn engelen! gij krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem Zijns woords.

21. Looft den HEERE, al Zijn heirscharen! gij Zijn dienaars, die Zijn welbehagen doet!

22. Looft den HEERE, al Zijn werken! aan alle plaatsen Zijner heerschappij. Loof den HEERE, mijn ziel!

1. Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.

2. Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.

3. Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.

4. Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.

5. Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.

6. Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.

7. Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.

8. De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.

9. Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.

10. Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.

11. Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.

12. Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.

13. Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.

14. Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.

15. En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt.

16. De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft;

17. Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen.

18. De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.

19. Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang.

20. Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:

21. De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.

22. De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.

23. De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe.

24. Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen.

25. Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote.

26. Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.

27. Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.

28. Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.

29. Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.

30. Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.

31. De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.

32. Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.

33. Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.

34. Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.

35. De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof den HEERE, mijn ziel! Hallelujah!

1. Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.

2. Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderen.

3. Roemt u in den Naam Zijner heiligheid; het hart dergenen, die den HEERE zoeken, verblijde zich.

4. Vraagt naar den HEERE en Zijn sterkte; zoekt Zijn aangezicht geduriglijk.

5. Gedenkt Zijner wonderen, die Hij gedaan heeft, Zijner wondertekenen, en der oordelen Zijns monds.

6. Gij zaad van Abraham, Zijn knecht, gij kinderen van Jakob, Zijn uitverkorene!

7. Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.

8. Hij gedenkt Zijns verbonds tot in der eeuwigheid, des woords, dat Hij ingesteld heeft, tot in duizend geslachten;

9. Des verbonds, dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijns eeds aan Izak;

10. Welken Hij ook gesteld heeft aan Jakob tot een inzetting, aan Israel tot een eeuwig verbond,

11. Zeggende: Ik zal u geven het land Kanaan, het snoer van ulieder erfdeel.

12. Als zij weinig mensen in getal waren, ja, weinig en vreemdelingen daarin;

13. En wandelden van volk tot volk, van het ene koninkrijk tot het andere volk;

14. Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:

15. Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.

16. Hij riep ook een honger in het land; Hij brak allen staf des broods.

17. Hij zond een man voor hun aangezicht henen; Jozef werd verkocht tot een slaaf.

18. Men drukte zijn voeten in den stok; zijn persoon kwam in de ijzers.

19. Tot den tijd toe, dat Zijn woord kwam, heeft hem de rede des HEEREN doorlouterd.

20. De koning zond, en deed hem ontslaan; de heerser der volken liet hem los.

21. Hij zette hem tot een heer over zijn huis, en tot een heerser over al zijn goed;

22. Om zijn vorsten te binden naar zijn lust, en zijn oudsten te onderwijzen.

23. Daarna kwam Israel in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham.

24. En Hij deed Zijn volk zeer wassen, en maakte het machtiger dan Zijn tegenpartijders.

25. Hij keerde hun hart om, dat zij Zijn volk haatten, dat zij met Zijn knechten listiglijk handelden.

26. Hij zond Mozes, Zijn knecht, en Aaron, dien Hij verkoren had.

27. Zij deden onder hen de bevelen Zijner tekenen, en de wonderwerken in het land van Cham.

28. Hij zond duisternis, en maakte het duister; en zij waren Zijn woord niet wederspannig.

29. Hij keerde hun wateren in bloed, en Hij doodde hun vissen.

30. Hun land bracht vorsen voort in overvloed, tot in de binnenste kameren hunner koningen.

31. Hij sprak, en er kwam een vermenging van ongedierte, luizen, in hun ganse landpale.

32. Hij maakte hun regen tot hagel, vlammig vuur in hun land.

33. En Hij sloeg hun wijnstok en hun vijgeboom, en Hij brak het geboomte hunner landpalen.

34. Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal;

35. Die al het kruid in hun land opaten, ja, aten de vrucht hunner landbouwe op.

36. Hij versloeg ook alle eerstgeborenen in hun land, de eerstelingen al hunner krachten.

37. En Hij voerde hen uit met zilver en goud; en onder hun stammen was niemand, die struikelde.

38. Egypte was blijde, als zij uittrokken, want hun verschrikking was op hen gevallen.

39. Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om den nacht te verlichten.

40. Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood.

41. Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier.

42. Want Hij dacht aan Zijn heilig woord, aan Abraham, Zijn knecht.

43. Alzo voerde Hij Zijn volk uit met vrolijkheid, Zijn uitverkorenen met gejuich.

44. En Hij gaf hun de landen der heidenen, zodat zij in erfenis bezaten den arbeid der volken;

45. Opdat zij Zijn inzettingen onderhielden, en Zijn wetten bewaarden. Hallelujah!

1. Hallelujah! Looft den HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

2. Wie zal de mogendheden des HEEREN uitspreken, al Zijn lof verkondigen?

3. Welgelukzalig zijn zij, die het recht onderhouden, die te aller tijd gerechtigheid doet.

4. Gedenk mijner, o HEERE! naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil;

5. Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.

6. Wij hebben gezondigd, mitsgaders onze vaderen, wij hebben verkeerdelijk gedaan; wij hebben goddelooslijk gehandeld.

7. Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op Uw wonderen; zij zijn der menigte Uwer goedertierenheid niet gedachtig geweest; maar zij waren wederspannig aan de zee, bij de Schelfzee.

8. Doch Hij verloste hen om Zijns Naams wil, opdat Hij Zijn mogendheid bekend maakte.

9. En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn.

10. En Hij verloste hen uit de hand des haters, en Hij bevrijdde hen van de hand des vijands.

11. En de wateren overdekten hun wederpartijders; niet een van hen bleef over.

12. Toen geloofden zij aan Zijn woorden; zij zongen Zijn lof.

13. Doch zij vergaten haast Zijn werken, zij verbeidden naar Zijn raad niet.

14. Maar zij werden belust met lust in de woestijn, en zij verzochten God in de wildernis.

15. Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid.

16. En zij benijdden Mozes in het leger, en Aaron, den heilige des HEEREN.

17. De aarde deed zich open, en verslond Dathan, en overdekte de vergadering van Abiram.

18. En een vuur brandde onder hun vergadering, een vlam stak de goddelozen aan brand.

19. Zij maakten een kalf bij Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld.

20. En zij veranderden hun Eer in de gedaante van een os, die gras eet.

21. Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte;

22. Wonderdaden in het land van Cham; vreselijke dingen aan de Schelfzee.

23. Dies Hij zeide, dat Hij hen verdelgen zou, ten ware Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierf.

24. Zij versmaadden ook het gewenste land; zij geloofden Zijn woord niet.

25. Maar zij murmureerden in hun tenten; naar de stem des HEEREN hoorden zij niet.

26. Dies hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende dat Hij hen nedervellen zou in de woestijn;

27. En dat Hij hun zaad zou nedervellen onder de heidenen, en hen verstrooien zou door de landen.

28. Ook hebben zij zich gekoppeld aan Baal-Peor, en zij hebben de offeranden der doden gegeten.

29. En zij hebben den HEERE tot toorn verwekt met hun daden, zodat de plaag een inbreuk onder hen deed.

30. Toen stond Pinehas op, en hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden.

31. En het is hem gerekend tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid.

32. Zij maakten Hem ook zeer toornig aan het twistwater, en het ging Mozes kwalijk om hunnentwil.

33. Want zij verbitterden zijn geest, zodat hij wat onbedachtelijk voortbracht met zijn lippen.

34. Zij hebben die volken niet verdelgd, die de HEERE hun gezegd had;

35. Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken.

36. En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik.

37. Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochteren den duivelen geofferd.

38. En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed hunner zonen en hunner dochteren, die zij den afgoden van Kanaan hebben opgeofferd; zodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden.

39. En zij ontreinigden zich door hun werken, en zij hebben gehoereerd door hun daden.

40. Dies is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft een gruwel gehad aan Zijn erfdeel.

41. En Hij gaf hen in de hand der heidenen, en hun haters heersten over hen.

42. En hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand.

43. Hij heeft hen menigmaal gered; maar zij verbitterden Hem door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid.

44. Nochtans zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde.

45. En Hij dacht tot hun beste aan Zijn verbond, en het berouwde Hem naar de veelheid Zijner goedertierenheden.

46. Dies gaf Hij hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden.

47. Verlos ons, HEERE, onze God! en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij den Naam Uwer heiligheid loven, ons beroemende in Uw lof.

48. Geloofd zij de HEERE, de God Israels, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid; en al het volk zegge: Amen, Hallelujah!

Significados: Samuel, Israel.

Você está lendo Salmos na edição DUTCH, Dutch, em Holandês.
Este lívro compôe o Antigo Testamento, tem 150 capítulos, e 2461 versículos.